In de vroege jaren van de twintigste eeuw, tussen Erica, Klazienaveen en Schoonebeek, lag een uitgestrekt veengebied genaamd Amsterdamscheveld. Deze wildernis van veen en moeras leek eindeloos en verlaten. Toen de veenwinning begon, trok de inheemse bevolking naar Nieuw Schoonebekerveld, terwijl een groeiend aantal veenarbeiders naar Amsterdamscheveld trok om turf te delven. De leefomstandigheden waren zwaar, zonder wegen in het veen en het vaarwater te ver weg voor gemakkelijke toegang.

In deze uitdagende omstandigheden kwam Pastoor Veldman naar voren, toegewezen met anderhalve hectare grond om een kerk te bouwen in het door de Drentsche landontginningsmaatschappij ontgonnen gebied. Pastoor Veltman werd belast met het verzamelen van fondsen. Met veel moeite en inspanning werd op 30 oktober 1918 de eerste steen gelegd voor de kerk te midden van de venen, die later bekend zou worden als ‘O.L.V. Koningin van de Vrede’. De landontginningsmaatschappij hielp door hun spoorwegen ‘s nachts beschikbaar te stellen voor de aanvoer van bouwmaterialen.

Op 3 juni 1919 werd het kerkje ingewijd, maar niet zonder uitdagingen. Op een noodlottige dag in mei 1925 werd het tabernakel gestolen uit de kerk, wat een golf van opschudding veroorzaakte onder de parochianen en in de nationale pers. Na een intensieve zoektocht vonden twee jongens het tabernakel per toeval, verstopt onder een heideplag in de nabijgelegen veensloot. De hosties waren gelukkig nog intact, en met een processie bracht de menigte het tabernakel terug naar de kerk. Dit incident, hoewel verontrustend, bracht ook een golf van vrijgevigheid teweeg, met donaties vanuit het hele land voor een nieuw tabernakel en andere kerkelijke attributen.

Naast de kerk stond het klooster van de Zusters Franciscanessen Missionarissen van Maria, gebouwd in de jaren dertig. Deze zusters namen de wijkverpleging en het onderwijs op zich, en hun aanwezigheid was van onschatbare waarde voor de gemeenschap. Hoewel het klooster in 1995 werd gesloten, wordt hun erfenis geĆ«erd met een standbeeld in de tuin van “de Kloosterhof”.

Het dorp dankt zijn naam aan de boekweit die er werd verbouwd op een mengsel van as, kool en veenresten. In de zomer bloeide de omgeving wit van de boekweitbloemen, een prachtig gezicht dat de naam ‘Weiteveen’ inspireerde.

In 1940 kreeg de parochie haar eigen kerkhof, en op de plaats waar het gestolen tabernakel werd gevonden, werd later een kerkhof aangelegd met een kapel en een stenen kruis. Het oude tabernakel vond hier zijn laatste rustplaats onder een sluitsteen, als een blijvende herinnering aan het tumultueuze verleden van de parochie.