In het jaar 1672 was de angst tastbaar in het kleine dorpje Emmen. De dreiging van Bommen Berend, de beruchte Munsterse bisschop, hing als een donkere wolk boven de gemeenschap. De koster van het dorp, een man genaamd Gerrits, voelde de verantwoordelijkheid op zijn schouders rusten om zijn medeburgers te waarschuwen voor de naderende dreiging.

Op een koude ochtend, terwijl de zon nog maar net haar eerste stralen over de besneeuwde velden wierp, zag Gerrits vanuit de kosterij de glinstering van wapens in de verte. Het vreemde legioen van Bommen Berend was in aantocht. Zonder aarzeling greep Gerrits de sleutel, stormde naar de kerktoren en begon de oude klok te luiden, haar dof klinkende geluid als een alarm door de stille ochtendlucht.

De boeren van Emmen, hoewel verschrikt door het dreigende gevaar, verzamelden zich langzaam maar zeker, aangemoedigd door het geluid van de klok en de vastberadenheid van hun koster. Maar hun moed werd al snel op de proef gesteld toen de Munsterse troepen het dorp bereikten.

Bommen Berend was furieus over de poging tot verzet. Hij eiste dat de koster, die het waagde de bevolking tot actie aan te sporen, aan hem zou worden overgeleverd. De angst greep om zich heen toen de koster werd gegrepen en naar zijn eigen woning werd gebracht, waar hij gedwongen werd een groot vuur aan te leggen.

Terwijl de vlammen hoog oplaaiden en de koster de koperen emmer vulde met water uit de put in de tuin, werd het dorp overspoeld door een golf van angst en wanhoop. Maar net op het moment dat het leven van de koster op het spel leek te staan, kwam er hulp uit onverwachte hoek.

Een van de krijgslieden, misschien geraakt door een sprankje mededogen of door zijn eigen geweten, fluisterde de koster toe dat hij moest vluchten. Met het gevaar nog steeds dreigend, sloop de koster weg uit zijn huis en het dorp in de duisternis van de nacht, zijn leven dankbaar aan de onverwachte genade van een vreemdeling.

De volgende ochtend werd Emmen wakker in een sfeer van verslagenheid en verlies. De klokken van de kerktoren zwegen, weggevoerd door de Munsterse troepen als triomfantelijke buit. De stemmen van de koster en zijn medeburgers waren verstomd, maar hun daad van moed en vastberadenheid zou nog lang worden herinnerd in de geschiedenis van het kleine dorpje aan de rand van de wereld.

En terwijl de klokken van Munsterland hun heldere klanken over de besneeuwde velden lieten weerklinken, fluisterde de wind de verhalen van die donkere dagen, waarin de koster en zijn medeburgers standhielden tegenover de dreiging van een gewelddadig leger, en waarin de menselijke geest, zelfs in de diepste duisternis, nog steeds in staat was tot hoop en moed.