Het was het jaar 1909 toen de broers J. en E. van der Griendt hun blik richtten op het uitgestrekte landschap ten zuidoosten van Nieuw-Amsterdam, bekend als het Amsterdamse Veld. Hun ambities waren groots, want ze wilden de vruchtbare grond omtoveren tot een bloeiend centrum van turfstrooiselfabrieken. Deze ondernemende broers, die al ervaring hadden met succesvolle turfstrooiselfabrieken in Griendtsveen (sinds 1885) en Schöningsdorf (sinds 1902), wisten dat ze aan de slag moesten om hun dromen te verwezenlijken.

Met de aankoop van een deel van het Amsterdamse Veld van L.B.J. Dommers in 1909 legden de broers de basis voor wat later bekend zou worden als Amsterdamscheveld. De Griendtsveen Drentsche Landontginning Maatschappij B.V., gevestigd in Rotterdam, werd opgericht om de visie van de broers te realiseren. Tussen 1910 en 1914 verrezen er in dit landelijke gehucht twee turfstrooiselfabrieken, een elektriciteitscentrale, diverse dienstwoningen en een imposante locomotievenloods.

Een smalspoortracé werd aangelegd om de aanvoer van turf vanuit het Amsterdamse Veld mogelijk te maken. Het gebied ontwikkelde zich snel tot een industrieel knooppunt, met de Griendtsveenstraat als het kloppende hart van de bedrijvigheid. De fabrieken waren niet alleen economische motoren, maar ook technologische hoogstandjes, met elektrisch aangedreven installaties zoals kantelinstallaties, jakobsladders, maalinstallaties en transportbanden.

In 1913 verrees een sobere en functionele fijnstrooiselfabriek op Griendtsveenstraat 150. Ondanks een tragische brand in 1943 werd de fabriek herbouwd en bleef het een belangrijk onderdeel van de gemeenschap. De verlading van de geproduceerde goederen vond plaats onder een houten overkapping langs het Dommerskanaal, waar schepen gereed stonden om de kostbare lading naar verschillende bestemmingen te vervoeren.

Naast de industriële complexen ontstond er een levendige gemeenschap met verschillende soorten woningen. De directeurswoning ‘Carex’ op Griendtsveenstraat 39, een pronkstuk met sober gedetailleerde architectuur, dateerde uit 1912. Huizen als Griendtsveenstraat 41 en 54, met neorenaissance- en chaletelementen, werden gebouwd voor het hogere personeel, terwijl de beambtenwoning op Griendtsveenstraat 57 al in 1911 gereed kwam.

In de jaren rond 1915 werden ook eenvoudigere arbeiderswoningen gebouwd, zoals die op Griendtsveenstraat 123 en 131-132, evenals Peelstraat 123. Deze woningen waren het bewijs van de groeiende sociale structuur van Amsterdamscheveld, waar arbeiders en hun gezinnen een thuis vonden te midden van de bedrijvigheid van de turfstrooiselindustrie.

Hoewel de grofstrooiselfabriek in 1986 werd gesloopt en de fijnstrooiselfabriek in 1983 haar deuren sloot, blijft Amsterdamscheveld doordrenkt van geschiedenis. De overgebleven gebouwen en woningen vertellen het verhaal van een tijdperk waarin de turfstrooiselindustrie floreerde en Amsterdamscheveld een centrum van bedrijvigheid en gemeenschap was.