Drenthe, het laatse deel over prehistorie tot het einde van de Franse tijd.

In het verre verleden van Drenthe, ver voorbij de tijd van de hunebedden en de kano van Pesse, wortelt de geschiedenis van dit gewest diep in het Pleistoceen. Gedurende de laatste twee ijstijden, het Saalien en het Weichselien, vormden de krachten van de natuur het landschap zoals we dat nu kennen. Maar het is pas tijdens de pre-Romeinse ijzertijd, ergens in de 6e of 7e eeuw voor de jaartelling, dat de eerste tekenen van menselijke aanwezigheid duidelijk worden.

In deze vroege tijden waren het vooral boeren uit Drenthe die, om verschillende redenen zoals zandverstuiving of overbevolking, de kwelders van het noordelijke kustgebied koloniseerden. Deze pioniers, bekend als de ‘proto-Friezen’, vestigden zich in het drooggevallen kustlandschap van Groningen en Friesland, waar ze hun vee lieten grazen.

De prehistorie bleef in Drenthe voortleven tot diep in de middeleeuwen, een periode waarin schriftelijke bronnen schaars waren. Het middeleeuwse Drenthe kende niet de grenzen die we tegenwoordig associƫren met de provincie. De naam Drenthe verwijst naar drie samenwerkende delen, maar historisch gezien waren er zes dingspelen. Deze indeling kan teruggevoerd worden op oudere delen, zoals Noordenveld, Westenveld, en Zuidenveld, die mogelijk ontstaan zijn uit nog eerdere delen zoals Blok suggereert: Noordenveld, Westenveld, en Zuidenveld. De windrichting in de namen verwijst naar de ligging van het veld ten opzichte van het Ellertsveld.

In deze periode lag Drenthe op de grens van het gebied van de Saksen en de Friezen, maar het is onduidelijk wanneer het precies tot het rijk van Karel de Grote is gaan behoren. Na de nederlaag van de Saksen tegen Karel de Grote in 804 werd Drenthe waarschijnlijk een deel van het rijk. Tot 1046 wordt Drenthe enkele malen als graafschap genoemd, waarbij de graaf vaak een buitenstaander was.

In 1024 werd de bisschop van Utrecht begunstigd met het graafschap Drenthe, maar het duurde tot 1046 voordat keizer Hendrik III bisschop Bernold daadwerkelijk het graafschap overdroeg. Tot de tijd van keizer Karel V zou de bisschop van Utrecht de landsheer van Drenthe blijven.

De oudste kerken van Drenthe werden gesticht in de hoofdplaatsen van de dingspelen, waarvan er ten minste drie (Anloo, Emmen en Beilen) bekend waren als eigenkerk van de bisschop. Dit suggereert dat ze mogelijk tussen 800 en 1000 zijn gesticht.

Formeel had Drenthe in de Middeleeuwen altijd een landsheer, maar in de praktijk was het eerder een verzameling van grotendeels zelfstandige dorpsgemeenschappen die zelfvoorzienend waren en alleen samenwerkten wanneer nodig. De periode tussen 1150 en 1400 werd gedomineerd door de strijd tussen de kastelein van Coevorden en de bisschop, culminerend in de slag bij Ane in 1227.

De Utrechtse bisschop, naast zijn geestelijk leiderschap, heerste als wereldlijk heer over Drenthe. Maar het gezag van de bisschop was altijd zwak geweest in dit afgelegen gewest. Drenthe bleef een naar binnen gekeerd gebied, grotendeels zelfvoorzienend en met weinig invloed van buitenaf.

Aan het einde van de Middeleeuwen, in het begin van de zestiende eeuw, verloor de bisschop zijn macht. In 1536 werd Drenthe deel van het Nederlandse Rijk van keizer Karel V, maar de lokale bevolking merkte weinig van deze veranderingen.

Tijdens de Nederlandse Opstand in de zestiende eeuw, een strijd die vooral om steden draaide, bleef Drenthe grotendeels gespaard. De Drenten waren echter niet onbewogen door de oorlog; doortrekkende troepen brachten overlast aan het landschap.

In 1580, toen de Unie van Utrecht werd ondertekend, voegde Drenthe zich bij de opstand. Ondanks dat het landschap relatieve zelfstandigheid wist te behouden, bleef de positie van het gewest onzeker. De Staten-Generaal zagen zichzelf als de opvolger van de landsheer in Drenthe.

Na de erkenning van de Republiek in 1648 bleef er echter onrust in het oosten van Nederland. De bisschop van Munster, grenzend aan Drenthe en Groningen, zorgde voor onrust. In 1666 deed bisschop Bernard van Galen een vergeefse poging om zijn verloren invloed te heroveren. Zes jaar later sloot de bisschop zich aan bij Engeland en Frankrijk en deed opnieuw een poging tijdens het rampjaar. Ondanks enkele veranderingen en de overgave van Overijssel, wist Drenthe stand te houden, en de twist met Overijssel over de status van Coevorden werd in het voordeel van Drenthe beslist.

Uiteindelijk herwon Drenthe in 1805 zijn zelfstandigheid als departement onder Rutger Jan Schimmelpenninck. Het gewest dat ooit aan de rand van het Oversticht lag en een bescheiden rol speelde in de middeleeuwse geschiedenis, had zijn eigen plaats in de tijd gevonden, een plaats diep geworteld in het verleden en met een onzekere, maar vastberaden blik op de toekomst.