In het betoverende Drentse landschap, verscholen in een schilderachtig beekdal, verrijst Havezathe De Klencke als een eenvoudig, sober, en compleet landgoed met een geschiedenis die teruggaat tot het jaar 1520. Het landgoed is een tijdloos symbool van adellijke pracht, met zijn oorspronkelijke bouwgeschiedenis die de tand des tijds heeft doorstaan.

Het jaar 1520 markeert het prille begin van De Klencke, waar enkele 70 cm dikke bakstenen muurdelen nog immer getuigen van de eerste bouwfase. Echter, het is pas in 1764 dat de havezathe haar definitieve vorm en grandeur kreeg. Een indrukwekkende ingangspartij, gedecoreerd in Lodewijk XV stijl, verwelkomt bezoekers met een rijk versierd bovenlicht. Het jaartal 1764 op het luidklokje aan de gevel duidt op de afronding van de laatste grote bouw- en verbouwperiode. Twee torens werden prijsgegeven, terwijl het hoofdgebouw zich uitbreidde met twee majestueuze zijvleugels. Een bouwhuis en een stalhuis werden toegevoegd, en bij de verkoop in 1781 telde De Klencke elf kamers, zowel ‘behangen’ als ‘onbehangen’, en ruime dienstvertrekken.

Een bijzonder detail uit deze periode zijn de drie rijk bewerkte schouwen die tot op de dag van vandaag de pracht van weleer ademen. Maar wellicht het meest opmerkelijke aspect van De Klencke zijn de verzaagde 17e-eeuwse grafzerken die de gevel van het bouwhuis sieren. De legende vertelt het verhaal van Jonker van Welvelde, die in de 17e eeuw, verontwaardigd over onenigheid met het kerkbestuur van Oosterhesselen, de grafzerken van zijn familie uit de kerk liet verwijderen en ze opslaan bij de havezathe. Twee eeuwen later vonden deze zerken een nieuwe bestemming tijdens de uitbreiding van de schuur.

Naast de majestueuze Havezathe omvat het landgoed vijf boerderijen en een uitgestrekt natuurgebied. De Klencke was niet slechts een lap grond; het vertegenwoordigde een reeks van rechten die bijdroegen aan de adel van zijn bewoners. Als havezate verschafte het adellijke bewoners het voorrecht tot toelating tot de Ridderschap van Drenthe, het provinciale bestuur van die tijd. Visrecht, jachtrecht, en het benoemingsrecht van de schoolmeester en predikant van Oosterhesselen behoorden tot de privileges van de heren van De Klencke.

Na eeuwen van adellijke eigenaarschap onderging het landgoed in de twintigste eeuw verschillende gedaanteveranderingen. In de jaren dertig fungeerde het als jeugdherberg en tehuis van de geheelonthouding, en tijdens de crisistijd werden er werklozen ondergebracht. In de duistere dagen van de Tweede Wereldoorlog diende het landhuis zelfs als een onwaarschijnlijk bordeel, waar dames uit Rotterdam Duitse militairen bedienden.

In 1687 kwam de familie Van Dongen in het bezit van het perceel. Cornelis van Dongen tot de Klencke werd in 1712 toegelaten tot de Ridderschap van Drenthe en bekleedde in 1743 de functie van drost van Drenthe, waarna het Drostendiep naar hem werd vernoemd. Vanaf het begin van de 19e eeuw was de familie Van der Wijck de trotse eigenaar, die het sobere landgoed transformeerde tot een bloeiend en functioneel bedrijf. Bosbouw en landbouw bleven eeuwenlang de economische pijlers van De Klencke, een erfenis die nog steeds zichtbaar is in het huidige landschap.

In 1961, na generaties van zorg en toewijding, schonk mevrouw E.J. Goddard- van der Wyck het landgoed bij legaat aan Natuurmonumenten. Zo blijft Havezathe De Klencke niet alleen een getuige van historische pracht, maar ook een levend monument voor de liefde voor natuur en erfgoed.