In maart 1942 hing er een gespannen sfeer in de lucht van het Drentse dorp Nieuw Weerdinge. De mannen tussen de 18 en 40 jaar oud, gewend aan het dagelijkse leven van werk op het land, in de fabrieken of in de lokale handel, kregen een harde realiteit voorgeschoteld. Pamfletten verspreid over de hele provincie kondigden een abrupt einde aan dit normale bestaan aan. De oproep was duidelijk: meld je voor de Arbeitseinsatz.

Dokter Lubberman, een bekend figuur in Ter Apel, werd belast met de keuring van de mannen uit Nieuw Weerdinge en omliggende dorpen. Met een zware last op zijn schouders, keurde hij de mannen, wetende dat velen van hen nooit meer terug zouden keren naar hun geliefde thuis. Na de keuring vertrokken de mannen in lange rijen, gedwongen door de omstandigheden, met de trein vanuit Emmen richting het onbekende, richting Duitsland.

De bestemmingen waren divers, maar het doel was eenduidig: arbeid verrichten voor het Duitse oorlogsmachine. Sommigen vonden zichzelf terug in houtzagerijen, anderen op boerderijen, in wapenfabrieken of zelfs in bierfabrieken. De omstandigheden waren zwaar, maar er was een schrale troost: zij mochten zelf het kamp verlaten. Er was geen bewaking, maar de dreiging van represailles hing altijd in de lucht.

Voor sommige Drentse mannen was de oproep om zich te melden een doodvonnis. Ze weigerden te gehoorzamen, probeerden zich te verstoppen, onder te duiken in de schaduwen van het platteland. Maar de bezetters en hun handlangers waren meedogenloos. Als je werd gevonden, wachtte niet alleen jou, maar ook degenen die je hielpen, een grimmige toekomst. Ze werden weggevoerd naar kampen, ver weg van hun geliefden en hun vertrouwde omgeving.

Het leven in die donkere dagen was een constante strijd om te overleven, om te ontsnappen aan de greep van de bezetter, om terug te keren naar huis. Maar voor velen bleef de weg naar huis een verre droom, overschaduwd door de wreedheden van de oorlog en de tirannie van de bezetter. En zo werden de mannen van Nieuw Weerdinge en vele andere dorpen in Drenthe gedwongen om te vechten voor hun bestaan, niet alleen tegen de vijand aan het front, maar ook tegen de onderdrukking en het onrecht in hun eigen land.